Alain Rees · 10-07-2026 · 7 min leestijd
De oefening is geslaagd, de evaluatie is positief, iedereen gaat tevreden naar huis. En volgend jaar staan dezelfde bevindingen in het verslag. Wie langer in dit vak zit, herkent het patroon, en de wetenschap herkent het ook. Er is inmiddels behoorlijk wat onderzoek naar de vraag of organisaties werkelijk leren van crisis- en continuïteitsoefeningen, met Nederlandse onderzoekers in een hoofdrol, en de uitkomst is tweeledig. Oefenen kan wel degelijk het verschil maken tussen een beheerste verstoring en een ontspoorde crisis. Maar de manier waarop de meeste organisaties oefenen, één keer per jaar, volgens een vast draaiboek en zonder opvolging, levert vooral een goed gevoel op.
Dit artikel hoort bij de fase Oplossen uit het model achter Kantyra. Een continuïteitsplan is een maatregel, en een maatregel die nooit onder druk is gezet, bestaat alleen op papier.
Het kritische fundament onder dit onderwerp is voor een groot deel Leids. Arjen Boin en collega's, die met het Crisis Onderzoek Team jarenlang simulaties voor overheden ontwierpen, beschreven al in 2004 de kernzwakte van de klassieke oefening. Zij herhaalt de crisis van gisteren. Het scenario is bekend, de rollen liggen vast en het plan wordt netjes doorlopen, terwijl echte crises zich juist kenmerken door dubbelzinnigheid, grensoverschrijdend doorwerken en het ontbreken van een passend draaiboek. Zij pleitten voor oefeningen die improvisatie en samenwerking onder onzekerheid trainen in plaats van planvastheid. Boin en McConnell voegden daar een ongemakkelijke waarheid aan toe. Een plan dat nooit serieus is getest, is vooral symbolisch. En in hun overzicht van het vakgebied benoemen Boin, Paul 't Hart en Sanneke Kuipers leren als de strategische crisistaak die het slechtst wordt uitgevoerd.
Dat de bredere praktijk dit beeld bevestigt, blijkt uit internationaal onderzoek. Een studie onder achtenveertig lokale crisisorganisaties in drie landen vond dat de meeste organisaties trainen en oefenen zonder systematische toetsing, dus zonder vooraf gedefinieerde doelen en zonder meting van bekwaamheid. Zweeds onderzoek van Berlin en Carlström onder hulpdiensten kwam tot de kern. Deelnemers vinden oefeningen leerzaam en plezierig, maar rapporteren weinig overdracht naar echte incidenten, juist omdat oefeningen een draaiboek volgen, wrijving vermijden en zelden worden herhaald. Zij oefenen dus om het oefenen, en de tevredenheid achteraf is geen bewijs van het tegendeel.
De tweede vraag is waarom geleerde lessen zo slecht beklijven. Smith en Elliott beschreven de klassieke barrières: schuldcultuur, ontkenning, de drang om snel terug te keren naar normaal en de neiging elke gebeurtenis als uniek weg te zetten. Nederlands empirisch onderzoek maakte dat concreet. Wout Broekema en collega's van de Universiteit Leiden vergeleken hoe de voedselautoriteit NVWA leerde van vier veterinaire crises, van varkenspest tot Q-koorts, en vonden dat het leren niet afhing van de ernst van de crisis, maar van interne factoren: betrokken leiderschap, een open leercultuur, continuïteit in de bezetting en een geformaliseerde opvolging van evaluaties. In recenter werk beschrijft Broekema het spiegelbeeldige proces, dat een plek verdient in elke BCM-woordenlijst. Organisaties vergeten actief. Door verloop, wegzakkende routines en verdampende urgentie eroderen crisislessen vanzelf, tenzij je er bewust tegenwicht aan geeft met documentatie, herhaling en verankering in systemen.
Voor de continuïteitswereld komt daar een erfelijke belasting bij. Brahim Herbane, die de geschiedenis van het vakgebied beschreef, laat zien dat business continuity management grotendeels is gevormd door wetgeving, toezicht en normen. De discipline heeft naleving in haar DNA, en dat verklaart waarom zoveel oefeningen worden gepland voor de auditor in plaats van voor de organisatie. Zijn eerdere pleidooi met Elliott en Swartz blijft actueel. BCM beschermt pas waarde als het organisatiebreed verankerd is en actief wordt getest, in plaats van als opgeleverd document te bestaan.
Het positieve nieuws is dat het onderzoek behoorlijk eensgezind is over wat werkt, en dat het niet duurder hoeft te zijn dan wat je nu doet. De krachtigste bevinding komt opnieuw van Berlin en Carlström. Zij herontwierpen de oefening tot drie korte rondes van hetzelfde scenario met tussentijdse reflectie, waarin teams een andere aanpak mochten proberen. Dat leverde meetbaar meer geleerd vermogen op dan de eenmalige grote oefening. Herhaling met reflectie verslaat schaal. Zweeds vervolgonderzoek in twaalf gemeenten liet zien dat terugkerende oefeningen over de jaren heen een optelsom van leren opleveren die losse oefeningen missen. En een recente systematische beoordeling van eenendertig studies naar grootschalige oefeningen benoemt de werkzame bestanddelen: realisme in scenario en tempo, voldoende duur om fouten tijdens de oefening te kunnen herstellen, goede voorbereiding van deelnemers en een gestructureerde nabespreking die teruggrijpt op vooraf gestelde doelen. Dezelfde beoordeling is eerlijk over de staat van het bewijs, want veel studies meten zelfgerapporteerd leren, dus ook hier past bescheidenheid.
Samengevat luidt het recept als volgt. Oefen vaker en kleiner, formuleer vooraf per oefening wat je wilt toetsen, laat het misgaan zonder afrekening, bespreek na aan de hand van de doelen, en geef elke les een eigenaar en een termijn. Voor de volledigheid meld ik dat dit precies de reden is dat Kantyra aan elke oefening een oordeel hangt en bij een gedeeltelijk geslaagde of mislukte oefening automatisch een verbetertaak aanmaakt. Dat doet het niet omdat een taak het leren zou zijn, maar omdat de opvolging anders verdampt, en het Leidse onderzoek laat zien dat juist de geformaliseerde opvolging het verschil maakt tussen leren en vergeten.
Als je één ding uit dit artikel onthoudt, laat het dan zijn dat een geslaagde oefening niet het doel is. Het doel is een betere organisatie, en die twee vallen zelden samen, want een oefening waarin niets misgaat was te makkelijk. Stel jezelf drie vragen. Weet je vooraf welke twee of drie dingen deze oefening moet aantonen? Kun je van de vorige oefening de lessen opnoemen én laten zien wat ermee is gebeurd? En durft je team te oefenen op het scenario waarvan iedereen hoopt dat het nooit komt, inclusief de mogelijkheid om daarin hoorbaar te falen? Drie keer ja betekent dat je oefent om te leren. Anders oefen je om te kunnen zeggen dat je geoefend hebt, en dat is precies het verschil waar dit hele model over gaat.
Dit artikel is een onderbouwde synthese van bestaand wetenschappelijk onderzoek en geen zelfstandig onderzoek dat door vakgenoten is beoordeeld. Waar ik duid of interpreteer, komt die interpretatie voor mijn rekening.
In een demo van 30 minuten lopen we het model door aan de hand van jouw situatie.
Plan een demoDe jaarlijkse training en de phishingsimulatie zijn overal, maar veranderen ze het gedrag? De grote veldstudies en het Nederlandse onderzoek uit Twente en Leiden geven een ontnuchterend antwoord, en wijzen aan wat wél werkt.
Tussen het behandelplan en de aantoonbare uitvoering gaapt bij veel organisaties een kloof. Hoe je die overbrugt met maatregelen die getest worden, beleid met een levenscyclus, projecten voor wat ontbreekt en formele uitzonderingen voor wat je accepteert.